Razzia 6 oktober 1944 Amersfoort

Na de afgeslagen aanval bij Arnhem verwachten de Duitsers een nieuwe aanval.
Ze lieten daarom nieuwe stellingen aan leggen.
Het ging daarbij om de Pantherstellung tussen Bunschoten en de Grebbeberg een aantal bruggenhoofden aan de IJsel bij Zwolle, Deventer en Zutphen en infanteriestellingen ten oosten van de IJsel.
Voor de laatstgenoemde verdedigingswerken hadden de Duitsers duizenden spitters nodig.
Om die bijeen te krijgen, gebruikten de Duitsers razzia's.
Hoewel er geen vliegtuig was te zien, loeide in de vroege ochtend van 6 oktober in Amersfoort de sirenes (luchtalarm).
Iedereen bleef binnenshuis, maar toen bleek dat er geen luchtgevaar was, waagden enkelen zich op straat.
In de gehele stad waren plakkaten aangebracht met daarop de mededeling dat alle mannen van 17 tot 40 jaar zich moesten melden voor de Arbeitseinsatz.
Vanaf 9 uur werden ze verwacht op het terrein van de infanteriekazerne aan de Leusderweg.
Loon 5 gulden per dag, goede kost en rookartikelen, werden in het vooruitzicht gesteld.
Op de straten werd het buitengewoon druk.
Mannen overlegden of zij zich wel of niet zouden melden.
Ondertussen hadden Duitse troepen alle toegangswegen tot de stad volledig afgesloten.
Patrouilles jaagden iedereen van de straat en op alle kruispunten stonden schildwachten om er op toe te zien dat niemand zijn huis ontvluchten.
Alle mannen die zich vertoonden, ook zij die in bezit van een geldig Ausweis waren, werden naar de Leusderweg afgevoerd.
Daar werd over hen beslist.
De straten waren nu volkomen uitgestorven.
Zo gauw iemand zich vertoonde klonken dreigementen van de soldaten, soms vergezeld van een waarschuwingsschot.
SS-ers, leden van de Gr√ľne Polizei en Wehrmachtsoldaten doorzochten huis na huis.
Alleen degene die in hun dagelijks werk van belang was voor de Duitsers en het openbare apparaat waren mannen boven de 40 jaar werden weer vrijgelaten.
Vijf a zesduizend Amersfoorters werden diezelfde dag afgevoerd, lopend vaak zonder persoonlijke bagage.
In een zwaar bewaakte stoet gingen ze via de Hogeweg richting de Veluwe.
Dankzij de invallende duisternis vluchten velen onderweg.
De andere gingen de volgende dag na een overnachting in Apeldoorn door naar Dieren.
Zij werden begeleid door nerveuze Duitsers, die schreeuwden en in de lucht schoten wanneer de mannen uit de rij liepen.
Opnieuw ontsnapten velen.
Om 2 uur 's nachts bereikten zij Dieren.
De mannen moesten loopgraven maken langs de IJssel.
Zij werden ondergebracht in plaatsen als Steenderen, Lathem en Giesbeek.
Pas na drie dagen kregen de spitters hun eerste warme maaltijd.
Het vluchten werd steeds moeilijker omdat de Duitsers de bruggen en veerponden over de IJssel streng controleerden.
Begin november waren velen spitterd zonder voorkennis van hun werk weggebleven.
Wendling maakte namens de Duitse autoriteiten bekend dat alle onwettige afwezigen op 8 november op hun Baustelle aanwezig moesten zijn.
Er zouden dan tegen hen geen strafmaatregelen worden genomen.
Diegenen die geen gehoor aan deze oproep gaven, stelde zich wel bloot aan strafmaatregelen, zoals intrekken van distributiebonnen en het verbeurd verklaren van meubilair.
Meer en meer Amersfoortse mannen namen de benen met als gevolg dat de achterblijvers geen toestemming meer kregen om op verlof te gaan.
OP 20 januari 1945verzocht een  Amersfoorter namens 100 stadsgenoten, die toen in de omgeving Arnhem werkte, de burgemeester te worden afgelost.
Sinds oktober hadden zij in weer en wind onafgebroken aan de loopgraven gewerkt.
Zij wilde naar het dichterbij gelegen Hoevelaken worden overgeplaatst.
Deze 100 spitters was alles dat er over was van een groep van duizend mannen de overigen waren gevlucht.
Hun verzoek werd afgewezen.
Zij zouden alleen naar huis mogen indien er vrijwillige vervangers kwamen.
Daar trapte uiteraard niemand in.
Het thuisfront wist inmeddels waar de spitters zich bevonden.
Vele vrouwen trokken op te voet of per fiets naar de IJssellinie om hun mannen , zonen of verloofden op te zoeken.
Ook was het mogelijk om de mannen brieven en pakketjes te sturen.
Het Rode Kruis afdeling Doesburg richtte voor de spitters een noodhospitaal in Giesbeek in.
Door de kapitein van politie Van Asperen werden twee verplegers van het Amersfoortse Rode Kruis gestuurd.
De zusters Werkamp en Tessels hadden aan alles gebrek.
Zij verzochten de Amersfoortse afdeling om toezending van verband, lucifers, zeep, asperines en medicamenten.
De afdeling Amersfoort kon echter niets sturen, alles was op.
Degenen die ontvlucht waren, moesten zich de verdere oorlog schuilhouden.
Op hun persoonsbewijs stond een stempel en bij een controlle zouden zij meteen door de mand vallen.
Tot het einde toe zijn Amersfoortse spitters aan de IJssel gebleven.
Zij bleven uit angst of omdat het eten er redelijk was, en er zo thuis een kostganger minder was.
De Duitsers ginggen nog vaker de straat op om mannen op te pakken,
maar niet meer zo massaal als tijdens de beruchte Amersfoortse oktoberrazia.